Pensioenopbouw: de relatie tussen het opbouwpercentage, de pensioenleeftijd en de AOW-franchise
Bij de invoering van de huidige fiscale pensioenwetgeving in 2006 is de mogelijkheid geopend om een lagere AOW-franchise te gaan hanteren. Ook heeft de belastingdienst aangegeven wat de gevolgen voor het opbouwpercentage zijn indien gekozen wordt voor een eerdere pensioenleeftijd dan 65 jaar. In dit artikel zal ik alle mogelijkheden nog eens op een rijtje zetten.
Standaard situatie
De standaard pensioenleeftijd is in de fiscale wetgeving gezet op 65 jaar. Eerdere en latere pensionering is toegestaan. Waar voor het vervroegen van de pensioenleeftijd voorheen de eis werd gesteld dat het dienstverband moest worden beeindigd, is dit sinds augustus 2011 niet meer verplicht zolang de pensioendatum tot, op zijn vroegst, 60 jaar wordt vervroegd. Voor het uitstellen van de pensioendatum is vereist dat de werknemer, in loondienst of als ondernemer, doorwerkt.
Bij een pensioenleeftijd van 65 jaar hoort voor een eindloonregeling een maximaal opbouwpercentage van 2% per dienstjaar, voor een middelloonregeling een maximaal opbouwpercentage van 2,25% per dienstjaar en voor de beschikbare premieregeling hebben we de maximale premiepercentages uit het staffelbesluit. In alle gevallen moet er rekening worden gehouden met een AOW-franchise ter grootte van 10/7 maal de zelfstandige AOW-uitkering voor een gehuwd persoon. Voor 2012 komt de minimaal vereiste AOW-franchise uit op 13.062 euro.
Een afwijkende AOW-franchise
Sinds 2006 bestaat de mogelijkheid om in de pensioenregeling een lagere AOW-franchise te hanteren dan het hiervoor genoemde bedrag. De voorwaarde is dan wel dat ook het jaarlijkse opbouwpercentage wordt verlaagd. Deze maatregel is bedoeld om de pensioenopbouw van de lager betaalde functies te verbeteren.
Indien gebruik wordt gemaakt van de AOW-franchise (2012) van 11.953 euro dan mag het maximale opbouwpercentage bij een eindloonregeling 1,9% en bij een middelloonregeling 2,15% per dienstjaar. Voor een beschikbare premieregeling zijn afwijkende premiestaffels gepubliceerd.
Bij een AOW-franchise van 10.802 euro komt het maximale opbouwpercentage per dienstjaar uit op 1,8% voor eindloon en 2,05% voor middelloon. Ook nu zijn er weer afwijkende premiestaffels voor een beschikbare premieregeling.
Een afwijkende pensioendatum
Voor de invoering van de huidige fiscale wetgeving lag de gangbare pensioenleeftijd op 60 jaar. Indien de pensioenleeftijd op 65 jaar lag, hadden we de mogelijkheid van een VUT regeling of een Prepensioenregeling.
Hoewel de standaard pensioenleeftijd in 2006 is verhoogd naar 65 jaar bestaat altijd de mogelijkheid van het eerder laten ingaan van het opgebouwde pensioen. Hierdoor bestaat dus feitelijk ook gewoon de mogelijkheid van een eerdere pensioendatum.
Om de adviespraktijk hierbij te helpen, heeft de belastingdienst berekend wat naar hun mening het gevolg is op het maximale opbouwpercentage bij de pensioenleeftijden tussen 60 en 65 jaar. Bij een pensioenleeftijd van 60 jaar zien we een maximaal opbouwpercentage voor een eindloonregeling van 1,38% per dienstjaar en voor een middelloonregeling van 1,55% per dienstjaar. Hierbij is ervan uitgegaan dat de vervroegde pensioendatum geen invloed heeft op de opbouw van het nabestaandenpensioen qua opbouw per dienstjaar.
Indien de normale verhouding tussen het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen op 100:70 wordt gehandhaafd, kan het maximale opbouwpercentage voor een eindloonregeling bij een pensioenleeftijd van 60 jaar worden gesteld op 1,48% en voor middelloon op 1,67% per dienstjaar.
Voor de beschikbare premieregeling is het niet toegestaan om hogere premiepercentages te hanteren dan in het staffelbesluit zijn opgenomen voor een pensioenleeftijd van 65 jaar. Op de eerdere pensioendatum wordt het opgebouwde kapitaal gewoon omgezet in pensioenuitkeringen. Hiervoor is geen actuariele herrekening benodigd.
Mensen geboren voor 1950
Voor werknemers die geboren zijn voor 1950 biedt het overgangsregiem in de fiscale pensioenwetgeving nog de mogelijkheid om uit te gaan van de fiscale mogelijkheden van voor 2006. Er kan dus nog sprake zijn van een VUT regeling en/of de opbouw van een Prepensioen voor zover de regeling wel al voor 2006 bestond.
Het is ook mogelijk om nog uit te gaan van een pensioenleeftijd van 60 jaar (de betreffende werknemer is dan wel inmiddels met pensioen) inclusief een overbruggingspensioen voor het tijdelijke gemis aan AOW-uitkering. Het hoeft hierbij niet te gaan om een bestaande pensioenregeling.
Conclusie
Hoewel veel pensioenregeling uitgaan van de standaard pensioenleeftijd van 65 jaar en van de normale AOW-franchise (of een hoger bedrag) biedt de fiscale wetgeving beduidend meer flexibiliteit. Dit maakt het adviseren over de juiste pensioenopbouw niet simpeler omdat er ook nog een pensioenuitvoerder moet worden gevonden die de gekozen mogelijkheid wil uitvoeren.
Paul van Ravenzwaaij
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.







